Ad van Meurs presenteert...

Elke maandagavond in meneer frits

Jazz

Aanvankelijk was voor mij de enige jazz dixie-land. Louis Armstrong, Mr. Acker Bilk, Chris Barber. Gewone namen bij ons thuis, die zich moeiteloos lieten verenigen met popheld Cliff Richard en folkie Pete Seeger; de territoria waren nog niet afgebakend.
Zo had je in Beek en Donk een jazz-club, Café Pauwkes, waar ik de ene week Gary Bartz zag, zwarte funky jazz, en de andere week The Tumbleweeds met hun country hit 'Somewhere Between'. Heel gewoon.

Tegen de tijd dat jazz zich ontdeed van zijn vooroorlogse keurslijf en nieuwe vormen aannam had ik mijn gymnasiale stropdas afgerukt en vervangen door een Afghaanse bontjas zwaaiend met Jimmy Hendrix , Fleetwood Mac, Beatles en Stones. Ach ja, het ene uniform voor het andere...

Maar jazz werd dierbaar in tijden van liefdesperikelen: als het 'uit 'was met een meisje. Je kon dan geen liedjes, pop of rock hebben. Dat maakte je sentimenteel, dan brak je hart voortdurend.
Jazz stond boven die materie. Jazz was afstandelijk, ging om spannende noten, individualiteit en muzikale durf.
En in jazz lag een ander begrip besloten: existentialisme! Iets ongrijpbaars dat zich in de geest van de tijd moffelde maar dat eigenlijk betekende: 'Je bent alleen op de wereld en niemand gaat je helpen', wat je je maar al te goed realiseerde op die momenten.
Jazz bleek het juiste muzikale decor om terug geworpen te worden op jezelf  en de God van de jazz zei daarbij: 'Okay, je voelt je rot maar doe het swingend'. Dus bewoog je en iets van troost en overlevingsdrift nestelde zich in je ziel, een ontbering ondergaan kreeg iets nobels. En de God van de jazz zei: 'Zie je nou wel, valt best mee' en jij antwoordde, terwijl je 'So What' van Miles Davis op de draaitafel legde: 'Yeah man, cool'...

Klik hier voor meer columns...