Ad van Meurs presenteert...

Elke maandagavond in meneer frits

Fanfare

Een fanfare is een dankbaar object voor liefde, humor en spot, zie Bert Haanstra’s film De Fanfare, die dit jaar zijn 50ste verjaardag beleeft, over twee rivaliserende blaasorkesten in het waterige Giethoorn, het Venetië van Holland. Voilà! Iedereen herinnert zich een spartelende aan een roeiriem hangende Albert Mol die een nat pak gaat halen.
Jour de Fete is de eerste film van Jacques Tati, de Franse cineast die zulke prachtige gestileerde komedies maakte. In deze hilarische prent speelt hij een Franse postbode die voor het eerst een Amerikaanse film ziet, waarin Amerikaanse collegae hun brieven met auto en vliegtuig bestellen. Geïnspireerd door deze moderne invulling van het vak besluit onze held zijn missie wat voortvarender aan te pakken wat resulteert in een hoop capriolen met een zwaar besnorde vooroorlogse fransoos, brieftas en fiets.En natuurlijk de dorpelingen die het nieuw verworven modernisme van hun postbode met verbazing en hoongelach aanschouwen.
In deze film komt ook een fanfare voor. Een fanfare marcheert over een landweg en de tubaspeler wordt geplaagd door een insect, een wesp waarschijnlijk. Hij probeert het beest te ontwijken cq met zijn tuba van zich af te houden wat mooie slapstick oplevert.Zwaaiend en slingerend toetert hij het muziekstuk de vernieling in.
Zoiets dergelijks maakte ik en mijn dochter een keer mee bij een wedstrijd van PSV. We zaten in een vak met fanatieke PSV supporters. Vraag me niet welke wedstrijd het was. Niet alles wat PSV doet is even memorabel, dus het is me ontschoten. Wel speelde in de pauze een fanfare op het veld die tijdens de tweede helft plaats nam in ons vak. Gezellig!
De dirigent had gevoel voor theater; als er iets spectaculairs gebeurde op het veld veerde hij op, en met hem de fanfare, om met weidse gebaren als een volleerde Von Karajan iets carnavalesks in te zetten wat iedereen mee kon joelen. Nou de stemming zat erin hoor.
De man had ook zo’n enorme Franse snor, een zogenaamde ‘bistrosnor’, iedere keer liefkozend tot punten gestreken voordat hij de dirigentenstok liet regeren. Jacques Tati had hem goedgekeurd . Ook de blazers hadden er schik in, de konen werden roder en roder, en glunderend keken ze om zich heen naar zoveel hartverwarmende consensus op de tribune. Die jongens van PSV zijn anders geen lieverdjes hoor, dus hier gebeurde iets moois. Totdat….
onze Von Karajan het volgende nummer inzette:’Daarbij dat kleine café aan de haven’ van Vader Abraham.
De furie brak los op de tribune. Het publiek begon te joelen en met alles te gooien wat los en vast zat, schoenen, portemonnees, bier, want wat bleek: ‘Het kleine café’ is een Ajax nummer, volgens de tribune,een jodennummer, het geuzenlied van de aartsrivaal uit Amsterdam!! Iets wat die brave muzikanten natuurlijk niet wisten.
Och arme, het café stierf een snelle dood; de blazers piepten terug naar hun zitplaats, de trommels vervielen tot treurmars, de tubaist eindigde met een olifanteske zucht en de dirigent, die alle opwinding aanvankelijk nog voor bijval aanzag, verstarde tot vogelverschrikker werd geraakt en en viel om…. Foutje!

Mijn dochter en ik laveerden ergens tussen medelijden en slappe lach met als rugdekking een welwillend uit de hemel neerkijkende Jacques Tati,……. Een mooie feestdag!

Klik hier voor meer columns...