Ad van Meurs presenteert...

Elke maandagavond in meneer frits

Wereldbeeld

Al toerende kom je op de gekste plekken, maar je ziet ook heel veel niet. Als muzikant is het moeilijk ook toerist te zijn.
Je gaat naar Berlijn, je speelt in clubs als de Tageless of in de Quasimodo maar musea of monumenten blijven onaangedaan. In Parijs speel je in La Cigale, je vindt je hotel op Montmartre, misschien nog een te dure nachtdisco, maar de volgende ochtend verlaat je de stad verzuchtend: 'Weer al die mooie dingen niet gezien, weer geen tijd gehad'.
Wel verwerf je je een staalkaart van curieuze wetenswaardigheden. Noem mij een dorp of stad in Nederland en ik zeg u het jongencentrum of het muziek- zaaltje of café.

Zo was daar het Möpke in Delden in Twente waar je een pan bier kon kopen, dus een grote pan gevuld met bier.
In Boxtel had je de Paradox waar mijn familie een keer kwam kijken. Ik kondigde een instrumental aan als polonaise, deed ik altijd, voor de grap, wetende dat geen van de usual suspects, hanenkammen en andere zwartgeklede alto's, ook maar ooit aan een polonaise zou beginnen. Mijn familie echter had geen aansporing nodig; daar gingen ze! Een volkse stoet, een geïnspireerd Fremdkörper met mijn moeder voorop, sjokte daar door een verbouwereerd punkpubliek.
Zo had je 't Beest in Goes waar niemand kwam opdagen. Het Trefcentrum in Moergestel waar het zo druk was dat de condens van muren en ramen afdroop. Het vocht kwam in een versterker terecht die prompt de geest gaf. Waar we ook een keer een show wilden beginnen met minimal music van Steve Reich, hypnotiserende modern klassieke muziek. Op een bepaald punt in de muziek zou iemand het bandje afzetten. Wij zouden het podium opkomen en glorieus invallen, maar waar zat dat punt nou ook alweer ? Het valt niet mee om dat te onderscheiden in die repeterende deuntjes. Al vijf minuten lang stonden wij op het podium te wachten, staarden wij het publiek en het publiek ons, vol ongeloof, aan. Iemand kreeg de slappe lach, iedereen kreeg de slappe lach.
Chez Leon in Eindhoven op de Aalsterweg, een van mijn eerste concerten. Sociëteit Olof in Tilburg waar wij, de band, slaande ruzie kregen met het publiek (in een volgende column daarover meer). De Oude Pul in Uden waar in het kantoortje de groep Focus 1500 en wij tweehonderd gulden kregen overhandigd, terwijl twee hevig bloedende slachtoffers van een ruzie gezellig op de grond lagen bij te komen.
De 'Rustende Jager'in Terschelling waar ik op het podium een vol blad bier over me heen kreeg.
De Holiday Inn in Kingston, Canada waar we tijdens een Bar Mitswa-ceremonie twaalf keer dezelfde instrumental speelden omdat dat het enige nummer was dat iets van klezmermuziek in zich had. Hoe waren we daar toch in vredesnaam terecht gekomen?
Spinal Tap, u kent hem wel, de beroemde film van Rob Reiner, waar de spot wordt gedreven met het Rock & Roll-bestaan en zijn rituelen, is een slap aftreksel van de werkelijkheid. Iedere muzikant zal dat beamen.
Voor sommige plekken vat je ook liefde op, zoals Cafe De Amer in Amen in Drenthe waar de gehaktballen onovertroffen zijn, of Herberg 't IJsselmeer in Oosterleek waar je in glashard Noord-Hollands liefdevol ontvangen wordt: 'Hai At, leijluke Brabantse sjmurf, binjederweer ? Wat luik !'
Of Anderson Fair in Houston, waar het naar zweetsokken stinkt maar waar het allemaal begonnen is met Townes van Zandt, met Lyle Lovett en al die andere figuren die van iedere stad en dorp in de wereld de bezemkast kennen.

Klik hier voor meer columns...